Gorredijk

Terug naar boven

De Joodse geschiedenis van Gorredijk

Uittreksel uit het hoofdstuk “De Kille Gorredijk”  (door Ieke de Vries)
geschreven door Ernst Huisman in het boek “De Vlecke Gorredyck”.
 (tweede gewijzigde druk; 2000)

Van eind 18e  tot en met begin 20e eeuw had Gorredijk een levendige Joodse gemeenschap.
De vestiging van Joden in Gorredijk in het laatste kwart van de achttiende eeuw zal zijn oorzaak hebben gevonden in het feit dat het dorp toen een bloeiperiode beleefde. 



De woning van de eerste Jood, Jacob de Joode aan de Langewal.

DE OPKOMST.
De eerste Jood van wie bekend is dat hij in Gorredijk woonde was Jacob de Joode, die zich hier in 1755 vestigde, komend van Leer. Zijn gezin vond onderdak in het eerste huis aan de Langewal. Twee jaar later stond het huis leeg en was Jacob “met der Noorderson vertrokken”. In 1772 vestigde zich in Kortezwaag Compregt Abrahams. Hij bleef hier vijf jaar en vertrok toen naar Drachten. In 1773 kwam Filip(pus) Sijmons, “een Jood van Amsterdam” in een huis aan de Langewal te wonen, maar een jaar later was hij al weer naar Amsterdam vertrokken. De eerste Jood die zich blijvend in Gorredijk vestigde kwam in 1775. Het was David Levi. Hij was omstreeks 1745 in Noordwolde geboren als zoon van Levi Levi en Golde Davids. In 1772 was hij in Hoogeveen getrouwd met Judik Sanders.Bij het aannemen van achternamen in 1811 nam David voor zichzelf, zijn kinderen en kleinkinderen de naam Leefsma aan. Het is een van de families die in de Gorredijkster kille (kehilla wil zeggen: joodse gemeente) altijd een belangrijke rol heeft vervuld.Davids vader, Levi Levi, was niet alleen de voorvader van de Leefsma’s, maar tevens van veel meer Gorredijkster Joden. Het kwam in de beperkte Joodse gemeenschap meermalen voor dat neef en nicht met elkaar trouwden. Een verschijnsel dat volgens de joodse wet niet verboden was. In 1811, toen ons land deel uitmaakte van het Franse keizerrijk en iedereen een achternaam moest hebben, werden door de Joden in Gorredijk en Kortezwaag de volgende familienamen aangenomen: Colthof, Van der Kaars, Kalf, Koopmans, Leefsma, Van Leer, Noordwal, Schaap, Woudstra en Van der Wijk. De al bestaande namen Cohen en Trompetter werden behouden. In die tijd telde Gorredijk 49 joodse inwoners en Kortezwaag 11. In 1829 was dat aantal heel wat groter. Op een totaal van 1537 inwoners telde Gorredijk toen 130 joden en Kortezwaag 7.


In het midden de in 1953 afgebroken synagoge met links hiervan het huis waar van 1882 tot 1885 de Joodse onderwijzer Isaak Jozefs de Haan met zijn gezin woonde. Van zijn 5 kinderen kreeg Carolina (Carry) bekendheid als schrijfster, haar broer Jacob als dichter. Hij werd in 1924 in Israël vermoord wegens zijn homosexuele geaardheid.

DE SYNAGOGE
De synagoge wordt door de joden aangeduid met “sjoel”, het Jiddische woord voor school.Het leren, bestudering van godsdienstige geschriften, nam in de joodse gemeenschap een belangrijke plaats in. Hun huis van samenkomst, de sjoel, was een combinatie van bedehuis en leerzaal. Voordat de Gorredijkster joden over een synagoge beschikten, werden de godsdienstoefeningen en andere samenkomsten bij een lid der gemeente aan huis gehouden. In december 1805 verkochten de gebroeders Hartman en Tjibbe Cornelis Hartmans aan de joodse gemeente hun ‘huisinge, bestaande in twee kamers en agterhuis, hovinge, boomen en plantagie cum annexis’ voor de som van 675 Caroliguldens.Een jaar later werd hier aan de Langewal, na afbraak van de noordelijke woning, een kerkgebouw gesticht. De andere woning werd ingericht als kosterswoning, met in de achterkamer het kerkelijk bad. Wie het ontwerp van de synagoge maakte is niet bekend, maar duidelijk is wel dat de kort daarvoor gebouwde Leeuwarder sjoel daarbij als voorbeeld heeft gediend. Nadat op 26 juni 1806 de aanbesteding was gehouden, werd de kerk gebouwd door Auke en Sybe Jans (Huizinga), die aan arbeidsloon ƒ 784,95 ontvingen. De Leeuwarder beeldhouwer Eduard Bruinsma leverde voor 45 gulden het snijwerk voor de “Boekkast”, de Heilige Arke.De inwijding vond plaats op 24 Adar II 5567 (wat overeenkomt met 4 april 1807). De monumentenlijst van 1930 gaf van het uiterlijk van de sjoel de volgende omschrijving: “De synagoge heeft een eenvoudige classicistische voorgevel en een piramidevormig dak, bekroond door een koepeltje, waarop een rijk gesmede windwijzer (hert). Kroonlijst met triglyphen (waarmee de negen “klossen” in de lijst bedoeld werden), boven het midden waarvan een driehoekig fronton met Hebreeuws opschrift”. Dit opschrift luidde: ‘mah towoe oholécha ja’akow’ (hoe goed zijn uw tenten, o Jacob), terwijl boven de deur stond: ‘miesjkenotécha jisraël’ (uw woningen, o Israël – ontleend aan Numeri 24, vers 5). Van de lettertekens, die in het Hebreeuws ook getallen aanduiden, waren enkele met een stip gemerkt: zij gaven het jaartal 5567, dus 1807, aan.De sjoel mat inwendig 8.30 meter in het vierkant en had aan de straatzijde, boven de ingang, de ‘vrouwensjoel’, die via een smal trapje bereikt werd. Tegen de oostelijke wand stond de Heilige Arke, waarin de wetsrollen (Seipher Thoras) bewaard werden. Voor de arke hing een gordijn, het voorhangsel.Die wetsrollen waren (en zijn nog) heilige attributen in een synagoge. Ze zijn van perkament vervaardigd en met de hand geschreven. De stukken bevatten de gehele Pentateuch, de vijf boeken van Mozes. Elke sabbat wordt (door een chazan of een lid van de gemeente) vanaf de biema, de verhoging in het midden van de sjoel, een stuk van de Thora voorgelezen. Om het perkament niet met de handen aan te raken, worden bij het lezen de regels gevolgd met een aanwijshandje, een ‘jad’. De gemeente bezat in 1829 drie zilveren exemplaren.In de sjoel hingen een grote en twee kleine koperen kronen en stonden verschillende koperen kandelaars, waaronder een achtarmige (menora). Bij de ingang van zowel de mannen – als de vrouwenafdeling stond een koperen fontein met bak voor handwassing.Toen na de Tweede Wereldoorlog een joodse delegatie uit Leeuwarden de erg in verval verkerende Gorredijkster sjoel bezocht, stonden de wetsrollen nog ongeschonden in de Heilige Arke. Bovendien lagen op de zitplaatsen nog bidkleden en gebedendenkboeken. De toestand van het kerkgebouw was echter zodanig, dat het, ondanks pogingen het te behouden en te herstellen, niet meer was te redden. Het gebouw werd in 1949 overgedragen aan de gemeente Opsterland, die vier jaar later tot afbraak overging. De borden en stenen met Hebreeuwse lettertekens werden daarbij overgedragen aan de joodse gemeenschap van Leeuwarden. Eerder waren daar al de Heilige Arke en de biema naar toe gegaan. Op de arke daar staan nog de Hebreeuwse teksten uit de Gorredijkster tijd.

HET KERKELIJK BAD
In de aan de zuidzijde naast de sjoel staande kosterswoning werd in 1806 een kerkelijk bad met toebehoren ondergebracht, zoals een ingemetselde koperen ketel met kraan en een grote houten tobbe, alsmede een koperen pomp voor het in- en uitpompen van het water. Voor verwarming van het water werd turf gebruikt. Het kerkelijk bad (mikweh) dient niet in de eerste plaats tot reiniging, maar tot wijding. De bruid gebruikt het kort voor haar trouwdag en de getrouwde vrouw na de maandelijkse ongesteldheid. Ook echter de chazan en de bijchazan gebruiken het bad voor de Hoge Feestdagen (Nieuwjaar en Grote Verzoendag), terwijl het tevens als vervanger voor stromend water of de zee, dienst doet voor de onderdompeling van nieuw vaatwerk voor tafel en keuken.In 1893 werd een geheel nieuw huis met badinrichting gebouwd. Het kwam op de plaats van een in 1870 van de Doopsgezinde Gemeente gekocht huis aan de noordkant van de school. De bouw geschiedde volgens plan van de plaatselijke bouwkundige Ane Annes Kooistra, en wel door de eveneens plaatselijke aannemer Jan Arents van der Sluis.De koperen ketel met inhoud van zevenhonderd liter werd geleverd door de Gorredijkster koperslager Binne van den Brug. De gemetselde badkuipen van 1.00 m bij 1.20 m waren 1.25 m diep en bevonden zich in een opkamertje.De man die het huis na de oorlog kocht, verbouwde het in 1969 tot twee autoboxen. Daarbij verdwenen de nog aanwezige badkuipen.


Tekening van de synagoge gemaakt door G. Pannekoek in 1938.

SCHOOL, GEMEENTEZAAL EN VOORZANGERSWONING
Naast de in 1805 verkregen percelen kocht de gemeente in 1817 een huis, bestaande uit twee ‘kamers’ aan de noordkant van de sjoel. De huizinge met de twee eenkamerwoningen werd in gebruik genomen als woonhuis voor de voorzanger, vergaderruimte en godsdienstige school. De laatste bevond zich in de achterkamer, met banken en lessenaars. In 1827 telde de school 22 leerlingen. School en onderwijzerswoning konden in 1856 op de plaats van het oude gebouwd worden. Het werk werd voor de som van ƒ 1367,-- aangenomen door de plaatselijke timmerman Gerhardus Arps Posthuma. Op 29 mei werd de eerste steen gelegd door burgemeester Jan Anne Lycklama à Nijeholt. Twintig jaar later werd boven woning en school een gemeentezaal gebouwd, waardoor het gebouw zijn huidige vorm kreeg. In 1912 werd de inrichting van de school niet meer voldoende geacht. Het schoollokaal werd bij de onderwijzerswoning gevoegd en de school naar de bovenzaal verplaatst. Bij de opening werden de leerlingen op chocolademelk en koek onthaald.
Naast de genoemde percelen aan de Langewal kocht de joodse gemeente in 1869 nog een huis te zuidoosten hiervan, dus grenzend aan de toenmalige kosterswoning met badhuis. Alle huizen kwamen in 1949 op naam van de Nederlandse-Israëlische Gemeente in Leeuwarden, die ze kort daarna verkocht.

 

HET ARMHUIS
In 1825 kocht het kerkbestuur voor tweehonderdvijftig gulden een nieuw gebouwde huizinge, staande aan de weg op de Trimbeets onder Terwispel, tegenover de plaats waar later de marechaussee - kazerne zou verrijzen. Het kerkbestuur bestemde het voor de huisvesting van een behoeftig gezin. In 1854 werden er achter twee woningen bijgebouwd, terwijl tien jaar later door verbouw nog een vierde woning ontstond.Met ingang van 1 januari 1866 werd de zorg voor de joodse armen overgenomen door de Algemene Armvoogdij-administratie van Gorredijk. Het ‘Joadske earmhûs’ werd in dat jaar verkocht aan Jan Martens Sijtsema.

DE BEGRAAFPLAATS
Waar de Gorredijkster joden vóór 1804 hun doden begroeven is een open vraag. Misschien in Noordwolde, waar al in 1770 een joodse begraafplaats kwam.In juni 1804 sloot de joodse gemeente een pachtovereenkomst met Benedictus van Teijens uit Beetsterzwaag. Ze pachtten van hem ‘een zeekere plak grond in de Blindewijks Bosch onder Kortezwagen, lang tien Roeden en breed tien Roeden’. Een jaar later is deze pacht veranderd in blijvend gebruik. Volgens het kadaster is de joodse gemeente later steeds eigenaar geweest.Op de verkregen heide van ongeveer veertig meter in het vierkant werd een begraafplaats gesticht, met aan de oostkant het zogenaamde reinigingshuisje. In 1820 werd een recht van weg door deze begraafplaats gevestigd, onder andere via een in de Blinewyksbosk (later ook de Joadebosk genoemd) aan te leggen laan of reed. De overgang over de Dwersfeart had plaats via een draai met barten (schuifbrug).De vereniging ‘Mazebeth Aben’ (Gedenkteken van steen, ontleend aan Genesis 35:14) zorgde voor het plaatsen van grafstenen. Op sommige van deze stenen staan zegenende handen. Het betreft de rustplaatsen van mannelijke leden van de stam der Aronieden, de Kohaniem of de Cohens. Zij worden beschouwd als afstammelingen van de hogepriester Aron, broer van Mozes, en zijn door geboorte kohen, dat wil zeggen priester.Omdat dode lichamen als onrein worden beschouwd, mogen de Cohens als priester niet op een begraafplaats komen. Andere stenen dragen de afbeelding van een schaal met een schenkkan. Zij geven de rustplaats aan van afstammelingen van Levi, de Levieten, de verzorgers van de tempel. De schenkkan herinnert er aan dat de Levieten, ook nu nog, water gieten over de handen van de Kohaniem, voordat deze op de Feestdagen de zegen over de gemeente uitspreken.Toen de gemeente Opsterland in 1949 de sjoel in eigendom overnam, kreeg zij ook het beheer en onderhoud van de begraafplaats. De eigendom bleef bij het Nederlandse-Israëlitisch Kerkgenootschap.In 1861 werd bij de begraafplaats een stuk bos verkregen ter grootte van één-derde hectare. Dit om ter plaatse een huisje te kunnen bouwen om de ‘schendende hand, die daar alles afbreekt, tegen te gaan’. Van het bos werd bouwland gemaakt, terwijl voor driehonderd gulden een huisje werd gebouwd, waarvan Jacob Koops Krikke de eerste bewoner werd. In 1907 bedroeg de jaarlijkse huur dertig gulden, met de verplichting om de begraafplaats in orde de houden en de daarop aanwezige paden te effenen.In het laatst van de Eerste Wereldoorlog werd het huis met bijbehorend land publiek verkocht. De financiële toestand van de gemeente was niet rooskleurig, doordat het ledental aanmerkelijk was afgenomen en bovendien een groot deel daarvan uit slagers bestond, wier bedrijf door de tijdsomstandigheden stil stond.

WEL EN WEE IN DE KILLE
Met ingang van januari 1817 werd Gorredijk één van de vijf ringsynagogen in Friesland, ressorterende onder de hoofdsynagoge te Leeuwarden. Tot deze ringsynagoge behoorden naast Gorredijk de dorpen Kortezwaag, Langezwaag, De Knipe, Mildam, Heerenveen, De Haske, Tjalleberd, Akkrum, Oldeboorn, Lippenhuizen, Beetsterzwaag, Drachten, Oudega, Wijnjeterp, Ureterp en Oostermeer. In het huishoudelijk kerkreglement van 1858 werd het gebied van de ringsynagoge beperkt tot de gemeente Opsterland. Het was Aäron Salomons die van 1775 tot 1810 een in Hebreeuwse lettertekens gesteld besnijdenisregister bijhield, dat nu nog in het rijksarchief in Leeuwarden aanwezig is.David Levi Leefsma kocht in 1799 samen met zijn vrouw Judik Sanders een ‘zekere Huisenge, bestaande in een ruim voorhuis, middelkamer, keuken, voorzien met een regenwatersbak, en al het geene daar in, om en aan, aard-, band-, spijker- en nagelvast is, met de vrije plaatse van dien en bleeksteede cum annexis, staande en geleegen op den vlekke Gorredijk’. Het betrof hier één der panden aan de Langewal, die in 1980 voor de bouw van de Hema moesten wijken.Een paar jaar later kochten zij ‘een zeekere huisinge, bestaande in een camer, gang of voorhuis en daarin een winkel, agterhuis en schuure, vrije plaatse van dien, hovenge, bomen en plantagie cum annexis, staande en geleegen op de vlecke Gorredijk neevens de Kolk aan de westkant van de vaart’. Het was het pand aan de Brouwerswal, nu nr. 12. Dat het familie goed ging blijkt wel uit de aankoop in 1805 door hun zoon Benjamin van de ‘kostelijke huisinge’ aan de Noordoost-Dubbelestraat, tegenover Schansburg, maar vooral uit de aankoop die hun zoon Mozes in 1810 deed. Mozes David Levi kocht toen een perceel aan de Zuidwest-Dubbelestraat (nu Hoofdstraat 43). Dit gekochte perceel werd omschreven als ‘eene schoone en wel ter neering staande huizinge, bestaande in een voorkamertje, voorhuis of winkel, middenkamer en agterhuis, voorzien van een regenwatersbak, benevens het hier agterstaande koffiebrandersfornuis, pakhuis en pomp, sampt bleekveld, voorts met de staande en liggende plaatsen, toonbank, rimmen, borden, olybak en wijders al het geen aan de huizinge en verder getimmer aard-, band-, spijker en nagelvast is’.Mozes handelde in textiel, wat blijkt uit zijn levering in 1809 aan de armvoogden van kleding van ‘wat ruw doek tot een himd’.In de Franse tijd waren de joden aanhangers van Oranje. Geen wonder als men bijvoorbeeld  een besluit van Koning Lodewijk Napoleon uit 1809 leest, waarin het gebruik van de joodse taal werd tegengegaan en dat van het Nederlands voorgeschreven.


Dit is de heilige ark uit de Gorredijkster synagoge afkomstig,en in de Leeuwarder sjoel weer opgebouwd.

Toen de Fransen hier in 1813 werden verdreven, en ook in Gorredijk een afdeling van de Landstorm werd opgericht, werden daarvan ook twintig joden lid, op een totaal van drie compagnieën van à 110 man. De exercities werden op zaterdag gehouden. Voor de joden was oefenen op de sabbat echter niet acceptabel. Zij lieten zich dan ook door een op hun kosten aangetrokken deskundige op vrijdagmorgen in de exercities onderwijzen.Onder joden kwamen veel verkopers van loten der ‘Hollandsche Loterij’ voor. Niet iedereen behield de hiervoor nodige vergunning. Van één der debitanten werd in 1812 vermeld, dat hij er van beschuldigd werd dat hij van ‘eenvoudige lieden de met prijzen uitgevallen loten weet terug te krijgen zonder betaling der prijzen, bij hen voorwendende dat ze er met een niet zijn uitgevallen, en hun dan weeder nieuwe loten weet op te dringen, hoezeer hiervan wel geene regtelijke bewijzen voorhanden zijn’. De gebroeders Noordwal, die bij een vergunningaanvraag ‘na naam en faam behoorlijk begoedigd en gecrediteerd en staande mede ter goeder naam’ genoemd werden, waren ook kooplieden in goud- en zilverwerken. Bovendien was Philip, althans in later jaren, graveur. Als verkopers van loten wonnen de Noodwals zelf eens de honderdduizend. Daar ging 15% voor de staat van af, maar er bleef genoeg over om een riant huis aan de Zuidwest-Dubbelestraat te laten bouwen (nu Hoofdstraat 74 zie foto onder.). In de gevel zitten een paar bakstenen met de initialen van de beide broers en het bouwjaar 1821 er in gebeiteld. Het verhaal wil dat de prijs in muntspecie werd uitbetaald en per beurtschip werd aangevoerd, zodat ‘het schip met geld aankwam’. De rijkdom verliet later de heren Noordwal weer, zozeer zelfs dat ze aan de armenkas vervielen.In de begintijd zal de kille nog niet een eigen ‘rebbe’ hebben kunnen betalen. In elke geval combineerde in 1815 Salomon Mendels (van Rijn) het ambt van ‘joodse rabby of voorzanger’ met het beroep van koopman. Toen de joden korte tijd daarna, in september 1816, een volledige kracht konden betalen, werd Gompert M.Stibbe hun voorzanger en schoolmeester.De ringsynagoge had in januari 1817 Benedictus Michiels Schaap als koster en Abraham Heimans Woudstra als tweede voorzanger en beestensnijder of sjoucher.De rituele voorschriften hebben niet alleen betrekking op de manier waarop wordt geslacht, maar ook op het gereedschap waarmee dat gebeurt. Bovendien wordt het geslachte dier door de snijder gekeurd. Alleen koosjer verklaard vlees mag door de Israëliër worden genuttigd. De ‘ceremoniële orde’ in de synagoge hield volgens het huishoudelijk reglement onder andere in, dat alle leden der gemeente, die de ouderdom van dertien jaar hadden bereikt, een door hen (bij opbod) gehuurde zitplaats moesten hebben.Op sabbat- en feestdagen moesten de kerkgangers met een hoed gedekt zijn, maar op werkdagen mocht ook een pet gedragen worden. Ieder die een zitplaats had en toch achter het hek bleef staan, moest elke keer vijftig cent uitkoop betalen. Eenzelfde bedrag stond voor het ter synagoge verschijnen met omwelvoeglijke kleding, waaronder in het begin ook het dragen van petten of klompen werd verstaan. In hun gewoonten verschilden de joden op veel punten met hun niet-joodse dorpsgenoten. Toch waren ze onderdeel van de dorpsgemeenschap, die hun afwijkende leefwijze accepteerde. Als bijvoorbeeld op sabbat vuur moest worden gemaakt, wat joden niet was toegestaan, dan sprongen de buren bij. Men was gewend aan het toezicht van joodse zijde bij het melken en broodbakken en bij de boterbereiding.In hun taalgebruik hadden de leden van de kille zich ook aangepast: velen spraken Fries. In de synagoge kwam in de loop der tijd naast het Hebreeuws ook het Nederlands naar voren.Niet overal waren joden welkom: de reglementen van de ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ hielden oorspronkelijk in, dat alleen christenen lid konden worden. Rond het midden van de negentiende eeuw bestond deze regeling nog, maar in 1876 kon Michaël Jacobs Hes als eerst jood lid worden.Ook het reciteercollege ‘De Vriendenkring” nam in die tijd joden als lid aan. Het meedoen in de dorpsgemeenschap blijkt ook uit de benoeming tot brandspuitgasten in 1866. Het was niet zo, dat van joodse kant alle contacten werden toegestaan: in 1882 werd een vrouwelijk lid van de kille door de kerkenraad gewaarschuwd, kippen die zij voor het gebruik door joden geplukt had niet weer door christenen te doen bezorgen. Blijkbaar bestond de vrees, dat de koosjer geslachte kippen met andere verward zouden kunnen worden.De meeste leden van de kille verdienden een meer of minder royale kost met het beroep van koopman, inlands kramer of slager, ook wel met vleeshouwer aangeduid. Daarnaast kwam het beroep debitant (van de Staatsloterij) voor, maar ook tapper en winkelier, verver, borstelmaker, kleermaker, grossier en zelfs postbode. Arbeiders kwamen onder deze bevolkingsgroep niet voor, al waren sommige er financieel waarschijnlijk niet beter aan toe. Ze bleven dan ook buiten de ‘rode’ beweging, die toch in deze omgeving zo’n belangrijke rol gespeeld heeft. De zorg voor de armen van de kille kwam  oorspronkelijk geheel voor rekening van het Nederlands Israëlitisch Armbestuur, maar in de jaren veertig van de negentiend eeuw werd een jaarlijkse bijdrage uit de dorpskas ontvangen.In 1865 werd door de gemeenteraad besloten, de subsidie voor het Israëlitische armbestuur te beëindigen. De joodse armen werden daarna, evenals alle andere armen, naar de algemene armvoogdij verwezen.Bij de krapte aan middelen van de penningmeester was het voor de kille van belang dat voor speciale doeleinden meermalen een beroep kon worden gedaan op de familie Lycklama à Nijeholt in Beetsterzwaag. Als voor een bijzonder doel geld nodig was, werd door het kerkbestuur niet tevergeefs een beroep gedaan op een lid van de familie om dat op een voor de kerk voordelige manier te lenen, terwijl ook wel schenkingen werden gedaan.


NEERGANG EN ONDERGANG 
In 1876 passeerden meer dan 15000 schepen de Gorredijkster sluis. Een halve eeuw later was dat aantal tot een vijfde deel teruggelopen. Het was een symptoom van de teruggang in de economische situatie, waardoor ook de handelsactiviteiten in het dorp afnamen en daarmee het ledental van de kille. In de loop van de laatste twee decennia van de negentiende eeuw verlieten veel jongelingen het dorp waar ze geboren waren en waar ze voor zich geen toekomst zagen. Maar ook veel gezinshoofden zochten hun geluk elders. Ze vertrokken naar Amsterdam, Leeuwarden, en Meppel. Na de eeuwwisseling zette deze uittocht zich voort en vertrokken tal van joden met hun gezin.Een laatste en door velen intens beleefd hoogtepunt in het bestaan van de kille was de viering in maart 1907 van het eeuwfeest van de synagoge. De joodse gemeente telde toen officieel 125 leden, waarvan 85 in Opsterland, 34 in Smallingerland en 6 in Ooststellingwerf. Dit was een hele teruggang ten opzichte van 1860, toen Opsterland alleen al 187 joodse inwoners telde (waarvan 142 in Gorredijk). Uit alle windstreken kwamen de oud-Gorredijkster joden naar de oude sjoel, die voor deze gelegenheid door timmerman en schilder was opgeknapt. Een feestcomité van zeven leden had een jaar voorbereidend werk verricht, nadat voor het bijeenbrengen van de nodige gelden al in 1903 een vereniging tot viering van het honderdjarig bestaan was opgericht. Het eigenlijke feest begon op vrijdag in de feestelijk versierde gemeentezaal, waar in tegenwoordigheid van de ressortale opperrabbijn Samuel A.Rudelsheim uit Leeuwarden een herdenkingsrede werd uitgesproken door de voorzitter van de kerkenraad, Benjamin Michaëls Hes. De erewijn werd gedronken en een telegram van hulde ging naar Koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Daarna werd in de synagoge een buitengewone dienst gehouden, waar ook veel vertegenwoordigers van het dorp en van de gemeente Opsterland aanwezig waren.De opperrabbijn sprak hier een feestrede uit.Op sabbatmorgen werd een dienst gehouden met een predicatie van de opperrabbijn.
 
‘s Avonds, dus na de sabbat, was er een Soirée Amusante, met voor de kinderen ‘de beroemde artist in de Goochelkunst Professor Léon’ en voor de ouderen de opvoering door eigen mensen van de klucht ‘Bij den Sjadjen” (bij de huwelijksmakelaar), waarna voordrachten en een bal met verrassingen.’s Zondagsavonds volgde een Grande Soirée Amusante, waar na de openingsrede van de voorzitter van het feestcomité door leden van de kille het blijspel ‘Janus Tulp’ van Justus van Maurik jr. werd opgevoerd. Het feest was hiermee nog lang niet afgelopen, want er volgden nog voordrachten en een ‘gedirigeerd bal met verrassingen’, met de stafmuziek van het 1ste Regiment Infanterie te Assen, terwijl het programma tevens vermeldde een ‘souper ten 1 ure’.Het is uit deze begintijd van de twintigste eeuw, toen wel van neergang sprake was, maar een ondergang nog niet was te voorzien, dat bij oudere dorpsgenoten nog lang herinneringen leefden aan hun joodse medeburgers. Men herinnerde zich Heiman ‘Moailap’, die uit Amsterdam afgesneden lappen stof haalde om deze hier te verkopen. De lappen werden door de vrouwen ‘wylde lapen’ genoemd. Zij noemden verder nog bijnamen als Dûbele Mozes en Inkele Jet, de hûnderttûzen, de tûfetsjes, de boartsteljoad, de drankjoad, de sigarejoad, de kleanjoad, de lapejoad en de elektryske joad. Het hebben van zo’n naam laat zien dat ook in dit opzicht de joden in de dorpssamenleving geen uitzonderingspositie innamen.Door afname van het aantal leden werd het steeds moeilijker kandidaten te vinden voor een ‘zit’ in de kerkenraad, die reglementair uit vijf personen moest bestaan. In 1916 nam een kerkbestuur bestaande uit drie leden, de rechten en bevoegdheden van de kerkenraad over. Het aantal gezinshoofden was toen tot een vijftiental teruggelopen.Nadat in 1919 de laatste voorganger was vertrokken, werd op Hoge Feestdagen en bij andere bijzondere gelegenheden nog wel een dienst gehouden, die ook wel door niet-joden werd bezocht. Het laatste huwelijk dat in Gorredijk werd voltrokken was dat van Esther Abrahams Cohen met Heiman de Jong uit Leeuwarden in 1925.De laatste dienst werd gehouden in juni 1937, toen Heiman (Herman) Leefsma kerkelijk meerderjarig werd.Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden in Gorredijk nog elf joden.


Ook deze mensen ontliepen niet het lot dat de joden door de Duitsers was toebedeeld. (*) In verhouding tot de lotgevallen van de leden van de kille zijn die van de bezittingen van geen belang. Toch zij hier gememoreerd, dat een verzegelde kist, waarin een wetsrol en diverse zilveren kerksieraden, door Jozef Leefsma bij een plaatselijke bank was ondergebracht, waar hij in 1943 door de Duitsers in beslag werd genomen. Daartegenover werd de sjoel met alles wat er in was ongemoeid gelaten, ook de wetsrollen in de Heilige Arke. Zelfs lagen bij de bevrijding  de bidkleden en gebedenboeken nog op de zitplaatsen. Toen na de afbraak van de synagoge de grond daarvan in 1954 door de gemeente Opsterland aan de naastliggers werd verkocht, werd de opbrengst daarvan bestemd voor een eenvoudig gedenkteken (foto) in het centrum van het dorp. Op 4 mei 1956 kon de door de Larense beeldhouwer Johannes Gustaaf Wertheim gemaakte steen door E.Berlinger uit Amsterdam, de opperrabbijn voor o.a. Friesland, worden onthuld. Ook enkele in Gorredijk geboren joden konden de plechtigheid bijwonen. Het gedenkteken draagt een tekst van Freark Dam. Naast deze steen en de begraafplaats achter de Dwersfeart herinnert nog een straatnaam aan de kille: de Sjoelstrjitte. En dan is er nog een straatnaam die indirect te maken heeft met de vroegere joodse gemeente in het dorp: Ra’anana. Een in Gorredijk geboren inwoner van deze Israëlische plaats, Abraham Mozes Godschalk, heeft de basis gelegd voor een band tussen beide dorpen. Een band die leidde tot periodieke groepsbezoeken van weerskanten. Zo is weliswaar de kille verdwenen, maar iets van de vanzelfsprekendheid waarmee de joden deel uitmaakten van de Gorredijkster dorpsgemeenschap leeft voort in de sinds 1963  bestaande contacten tussen het Israëlische en het Friese dorp.

Plaatsing met toestemming van Ernst Huisman.

(*) De lotgevallen van de laatste Gorredijkster Joden zijn door Ernst Huisman beschreven in “It Lot fan de Lesten”. 

Laatste rustplaats Friese joden eilandje in Kortezwaagse weiden. door Rink van der Velde

Afbeeldingen bij deze pagina

  • Joodse inwoners