Gorredijk

Terug naar boven

Als Bakkersknecht over de zandpaden


Door Anne Veenstra

 

Toen ik een jaar of 15 was vroeg Berend Spijkman, die een bakkerij aan de Lijkweg had , aan mijn moeder of ik trek in een zakcentje had. Mem zei het al half toe en toen Berend weer bij ons aan de deur kwam, maakte hij een deal met mij. Op zaterdag moest er met de klanten worden afgerekend , want alles wat ze doordeweeks hadden afgenomen werd in het kasboekje van de bakker geschreven. Logisch dat hij dus langer onderweg was op zaterdag en in de winter pas als het donker was bij de laatste klanten kwam. Ik hoefde ’s zaterdagsmiddags niet naar de ULO en om half één ging ik snel naar huis, at mijn warme hap en ging naar bakker Arjen om de transportfiets met een lege korf te halen. Aan de bagagedrager hingen twee grote fietstassen. Bakker Arjen de Vries en Berend Spijkman waren beide aangesloten bij de centrale bakkerij De Oosthoek bij de zuivelfabriek in Jubbega en dus collega’s. Met de transportfiets ging ik richting Spijkman aan de Lijkweg, voorbij de kerk. Eerst ging het sturen wat moeilijk, maar weldra had ik het voertuig volledig in bedwang. Ook als de korf gevuld was met broden en koeken stuurde ik met gemak over de kleinste vlonder in mijn route. Die route was in de beginperiode niet erg groot. Hij begon bij de brug over de Dwarsvaart, daar waar het zandpad langs de Dwarsvaart begon.

De eerste klantwas boer Bergsma, of eigenlijk moet ik zeggen klanten. Weduwe Bergsma woonde namelijk bij haar zoon Bonne en zijn gezin onder één dak. Meestal kwamen de dames Bergsma één voor één naar de deur en ik weet nog dat de ene anderhalf witbrood kocht en de ander een half wit brood. In de korf lag een groot mes en daarmee sneed ik een heel brood in tweeën. Ook dat ging eerst moeilijk, maar langzamerhand kon ik een heel brood vrij eenvoudig in twee gelijke stukken verdelen. Een heel brood kostte 45 cent (f 0,45 =22 eurocent), een half brood 23 cent. Toen beide dames eens tegelijk bij de korf stonden en ik vakkundig een brood in tweeën sneed en daarvoor 23 cent vroeg, wees senior mij er op dat ik door dat doorsnijden nog eens extra verdiende en dat ze dat onbillijk vond. Ik weet nú nog niet hoe ik het eerlijker had moeten doen zonder er iemand aan te laten verdienen! Bergsma had ook een grote Sint Bernhard hond. Ik denk nu dat het een goedzak was, maar ik had er toen veel respect voor, wellicht te veel. Elke keer als ik het erf opdraaide kwam de hond rustig op mij afgewandeld en snuffelde wat. Eens had ik de fietstassen niet dicht gedaan met de riempjes en toen heeft de hond terloops even een pak eierkoeken mee genomen. Ik had het lef niet hem te verjagen. Volgende keer dus de fietstassen op slot, zodat het slechts bij snuffelen bleef. In de fietstassen zaten pakken van 10 koeken, waarvan het assortiment niet groot was. Ik geloof dat ik alleen maar eierkoeken, portugeesjes, gevulde koeken en gele en witte kokosmakronen had.
 

In de tassen aan het stuur zaten een paar rollen beschuit en een paar zakken van een half pond met allerhande kleine theekoekjes. In de korf zat witbrood, tarwebrood,roggebrood, tarvo (in plastic verpakking), gesneden wit (ook in plastic), krentenbrood en suikerbrood ,gewone stijve koek en zoeteliefjes, cakes en de “snifelkoeke”( een koek vol gekonfijte zuidvruchten) voor de zondag. Degene die iets bijzonders wou had dat een of twee dagen tevoren bij Berend besteld. Een enkeling kocht bijvoorbeeld witte bolletjes of krentenbollen en soms waren er speciale koeken als Zeeuws meisje en amandelringen (trolleys) besteld. Gebak, zoals speculaaspoppen, taai taaipoppen en oranjekoeken , slagroomtaarten of met crème opgespoten kruidenkoeken werden altijd apart bezorgd. Met Sinterklaas en Kerst werd ik meestal extra gecharterd door Berend om de banketletters, kerstkransen (soort ronde banketletters) en oranjekoeken rond te brengen en dat ging soms zelfs tot in Terwispel. Klanten van Berend verrasten namelijk vaak familie en/of kennissen met Sinterklaas - en Kerstlekkernijen.

             

Ik vond het bezorgen zo rond Sinterklaas en Kerst een dankbare en gezellige bezigheid, die me ook nog eens een extra zakcentje opleverde. Konden we na schooltijd nog eens extra aan bij het cafetaria van Harm en Marietje Akkerman voor een colaatje van een paar kwartjes en een kwartje voor een grammofoonplaatje in de juke-box! Na het afrekenen met de familie Bergsma vervolgde ik mijn weg over het smalle zandpaadje tot het grote zandpad rechts. Hier moesten de families Hielkema en Post voorzien worden van de bakkerswaren. Aan het grote zandpad woonde Hunneman, maar die werd bezocht door Berend vanaf de Lijkweg. Berend reed op zaterdags altijd op de bakkerskar. Tegenover Hielkema woonde Wietze Houwing, maar daar kwam op zaterdag altijd een andere bakker. Zo ging dat in Kortezwaag, iedere bakker moest leven vond men! Na Hielkema leverde ik bakkerswaren af bij familie Braam en familie De Jong (nu Dekema)was geen zaterdagklant . Daarna volgde er een hele tijd niets tot ik links van het pad bij familie Ten Klooster kwam, de laatste klant. Bij deze aardige familie sprak ik Nederlands, want zij kwamen van elders uit het land. Tegenover Ten Klooster stond het wâldhûske van familie Minne de Vries. Oudste zoon Jan zat op de lagere school bij mij in de klas en zijn oudste zussen hadden een betrekking over ver. Langs de Joodse begraafplaats en het “joadeboskje” kwam ik bij Hendrik Lommes de Vries weer op de Lijkweg en was ik ook spoedig bij de bakkerij. Gebakken werd er na de fusie niet meer, maar voor de buurtgenoten hield mevrouw Spijkman (Hieke) de winkel nog open. Ik maakte bij thuiskomst de korf leeg en zette alles netjes op de schappen. Als mevrouw Spijkman een klant had moest ik even wachten om samen de inkomsten te tellen. Daarin was ze heel nauwkeurig, maar of er nou een stuiver tekort was of een dubbeltje te veel, altijd kreeg ik mijn verdiende loon: een rijksdaalder. Toen ik het bezorgen goed onder de knie had besloot de familie Spijkman dat ik wel twee weken de hele handel kon bestieren. Zij , Hieke en Berend en de dochters Hieke jr en Geertje gingen op vakantie en ik ventte de hele route van Berend in mijn eentje.’s Morgens was ik al vroeg bij de bakkerij, want dan bracht Catrienus Mercuur de bakkerswaren met zijn VW bestelbusje.   
 

 Berend, Geertje, Hieke jr en Hieke sr Spijkman  

Berend met bakkerskar  

Vooraf was mijn route al eens uitgebreid na een ziekenhuisopname van Berend. Ik kreeg de route vanaf de school in Jonkerslân richting de Langewijk en de Sing Sang erbij. Bij de school sloeg ik linksaf het zandpaadje op en kwam dan bij familie Durk Meijer, waarvan zoon Piet bij mij op de Kweekschool in Heerenveen zat. Daarna ging het via Jan Meijer, Tjseard Boerstra en weduwe Van der Molen naar Bienus Hof. Uit de verte hoorde ik zoon Klaas vanuit de koestal, hooischuur of deel al roepen: “Hasto de toto ek by dy Anne? “ Hij gaf zijn ingevulde toto altijd mee aan Berend en ik nam dan de kopie mee terug op zaterdag. Bienus’ Trien, de moeder van Klaas vertelde me na een hevige sneeuwbui dat de sneeuw ’s morgens op de gestikte deken van Klaas zijn bed lag! Na Hof nam ik een zijpaadje naar Van der Veen en Kromsigt om daarna terug te keren tot het pad dat naar school ging. Ik sloeg echter linksaf bij Van der Meulen richting Keimpema, Post, tweemaal De Vries en tenslotte Hendrik Boerstra en Hofstra. Bij Hendrik en Geertje dronk ik altijd uitgebreid thee of koffie. Vaak liet Hendrik mij dan trots zijn gespaarde attributen zien. Net als zoon Tsjeard spaarde hij van alles: suikerzakjes, lucifermerken, sigarenbandjes, munten , lapjes stof en wat niet al .Hij was blij met mijn vader, die veel op reis was en daarom altijd wel wat voor Hendrik en Tsjeard meebracht! Zo rond 1957 werd de route langs de Langewijk wel erg zwaar, niet omdat de paden modderig of mul waren, maar omdat er een asfaltweggetje werd aangelegd. Dat betekende dat ik de transportfiets met de korf vol waren vaak moest duwen. Maar toen de Jelle Beenenweg er was ging het als van een leien dakje. Moest ik eerst mijn zakcentje “in het zweet uws aanschijns” verdienen, nu kreeg ik het haast in mijn schoot geworpen.

Met heel veel genoegen heb ik het baantje, ook tijdens militaire dienst vol gehouden tot ik een onderwijzersbaan in Drenthe kreeg. Het is in 1962 voorgekomen dat ik na het behalen van mijn eerste onderwijzersakte op werkdagen les gaf aan de school in Kortezwaag wegens ziekte van meester Wapstra en dat ik op zaterdagmiddag brood bezorgde bij de ouders van de leerlingen die ik ’s morgens nog les had gegeven!