Gorredijk

Terug naar boven

Kermisvreugde

 


 

In mijn jongenstijd, toen het begrip herfstvakantie nog moest ontstaan, hadden wij eind October vijf volle vrije dagen in verband met de Gorredijkster kermis. Waarom wij des morgens ook vrij hadden, heb ik nooit begrepen maar, eerlijk gezegd, ook nooit gepoogd te begrijpen. Wy genoten deze dagen als een blij einde van het goede seizoen, als een vrolijke illustratie van Piter Jelle's dichtregels: „De hjerst hat de simmer to hôf brocht; To hóf brocht mei sang en mei klang". Het was wel een belangrijke gebeurtenis. Zaterdags te voren kwamen de grondwerkers uit Jubbega, in grote groepen thuis van hun vaak verre werkzaamheden. Ook veel gebruiken in de streek richtten zich naar „Gerdykster merke". In die dagen was de grote stoomcaroussel het centrale punt van de kermis. Zonder deze was de kermis in onze ogen ondenkbaar. Soms-was het schip er al een week van tevoren, soms ook bleef het weg tot des Donderdagsavonds. Dan waren wij erg ongerust. Zou de caroussel nog wel komen? Stel je voor, dat hij wegbleef. Maar als wij dan des Vrijdagsmorgens bij school de zwaar beladen karren met de houten dieren en de blinkende spiegels en versieringen de steeg zagen inzwenken, dan was het hart gerust. Een typisch teken van de kermis was ook het „mastbos" langs de wallen boven de sluis. Aan beide kanten van de vaart lagen de kennisscheepjes dicht opeen. Het gaf een ongewoon en vrolijk vertier. Mijn vroegste herinnering in verband met de kermis is die aan een dag, dat ik met een beurs je vol losse centen uit huis ontsnapte. Ik was nog niet eens op school en ik vermoed, dat één van mijn ouders de bedoeling had mij naderhand even te laten „draaien". Maar wij kregen visite die dag, ooms en tantes, en die waren my wel genegen. Vandaar de volle beurs, vandaar dat de tijd verstreek zonder dat wy gingen. Toen ging ik zelf. Ik begaf my naar de draaimolen en overhandigde de beurs aan de baas met het verzoek, zo vriendelijk te willen zijn, daar bij elke rit één cent uit te willen nemen. Nou, die dienst wilde de baas mij wel bewijzen. Hoe lang ik gedraaid heb weet ik niet; ik weet alleen, dat op een gegeven ogenblik de baas mij de beurs teruggaf en zei, dat ik er nu uitmoest Een cent of drie had hij mij gelaten. Toen ik wat ouder was, kreeg ik gewoonlijk tien cent mee, waarvan vijf naar de stoomcaroussel gingen en de rest naar verkiezing werd besteed. Het was een mooie caroussel. Er is een tijd geweest, dat er vóór een houten huisje verrees, waar de exploitanten zolang woonden. Men kan hieruit afleiden, dat de montagebouw geen uitvinding is van deze tijd. De kermis te Gorredijk valt wat laat in het seizoen. Het was wel eens goed weer, maar het kon op het terrein achter de school ook verschrikkelijk vies en modderig zijn. Er is ook een tijd geweest, dat er een „schouwburg" kwam, waarin stukken als „De twee wezen" 'en „De voddenraper van Parijs" werden gespeeld. Het is eenmaal gebeurd, dat deze schouwburgtent in een stormnacht het begaf. De eigenaars zochten de volgende morgen in de ruïnes naar de toneel-requisieten. Het was dezelfde schouwburgtent, waarin eens 'n stuk werd gespeeld dat een dronkemansscène bevatte. Die werd zeer waarheidsgetrouw gespeeld; het kwam zover, dat de spelers de boel gingen afbreken. Zij hadden inderdaad teveel alcoholica genuttigd. De tent liep in verwarring leeg. Dit verhaal heb ik intussen van horen zeggen; ik ben van het gebeurde geen getuige geweest. Op een Vrijdagmorgen na de kermis heb ik eens op de tenten sneeuw zien liggen. Dit heb ik altijd onthouden als maatstaf voor het tijdstip, waarop de eerste sneeuw kan vallen. De afbraak van de kermis leverde ons nog wel eens een voordeeltje op. Als des Zaterdagsmiddags het werk stil lag, zochten wij tussen de carousselrails en bij de plaats waar de cassa had gestaan, naar geldstukjes. Het heeft my wel eens een gulden opgeleverd, meer dan ik in de hele kermis had uitgegeven.

S. v. G. 24 oktober 1947