Gorredijk

Terug naar boven

Jeugdherinneringen aan Kortezwaag

Door Anne Veenstra

Het Easterein

Kortezwaag is een heel oud dorp, maar in de twintigste eeuw is het overvleugeld en opgeslokt door het veel jongere Gorredijk. Rondom de brug bij de voormalige bakkerij van Arjen de Vries (woning uit de 18e eeuw) is het met “ ‘t Weike” en “Easterein” nog herkenbaar als het dorpje van weleer. Helaas is van de “Vinkebuurt” niets meer over en “De Leien” is doorgesneden door de “Hans de Jongweg”. In het Kortezwaag van de 40-er en 50-er jaren van de vorige eeuw (mijn jeugdjaren) nam het sociale leven een voorname plaats in. Toen wij in 1946 vanuit Appelscha in Kortezwaag kwamen wonen hadden drie naaste buren geen waterleiding en daarom haalden zij elke morgen vers water bij ons uit de kraan. Omdat huisvrouwen toen niet buitenshuis werkten waren zij de aangewezen personen voor het watervervoer. Traditioneel werd er altijd een buurpraatje aan vastgeknoopt en zo bleef men op de hoogte van het wel en wee in buurt en dorp. In strenge winters kwamen de bewoners van “De Pôle” ook met emmers over de Opsterlandse Compagnonsvaart om bij ons water te halen. Normaal gesproken waren die aangewezen op regenton of waterput. Of zelfs op de vaart, want vader en zoon Koelma wasten hoofd en bovenlichaam uitgebreid vanuit het stap met veel groene zeep en dat zorgde voor veel schuim op de golven! Later meer over “De Pôle”. In bovengenoemde jaren waren er nog geen schuttingen rondom huis en tuin en daarom was er ook menig “praatsje oer de hage” tussen de buren. De vrouwen deden dat vooral bij het ophangen van de was en de mannen tijdens de tuinwerkzaamheden. Want elke bewoner van het Oosterend had een grote groentetuin met allerlei soorten verse groenten én aardappelen. Omdat dat voor de zelfvoorziening meestal nog niet genoeg was hadden de meeste buurtbewoners aan de overkant van de vaart een volkstuintje. Om daar te komen moest je eerst de brug bij bakker Arjen oversteken en daarna het zandpaadje direct rechts van de brug volgen . Op bovenstaande foto is het paadje duidelijk te zien en rechtsonder is een stukje te zien van de Tsjnwyk. Daar kwam de eerste hindernis, want als volleerd fietser hoorde je niet af te stappen om de vlonder van twee planken met leuning te passeren. Soms mislukte dat en meestal hoorde je dan bekende kinderstemmen zingen : “Een snoek, een snoek, bij Anne in de broek!” Die stemmen kwamen dan meestal van een paar van de negen kinderen van Andries en Ynskje Klijnstra. De familie Klijnstra woonde samen met de families Koelma, Kluitenberg en Bergsma op “De Pôle”. De Pôle was eigenlijk een eilandje, want zo’n 25 meter na de Tsjinwyk kwam de vol- gende wijk, waar ook een vlonder over lag, maar die was veel moeilijker te nemen. Na die wijk begonnen de volkstuintjes., die op een stuk grond van wel 100 meter lang lagen ,tot de volgende wijk, waar slechts één plank over lag! Op De Pôle was heel vroeger het huis van de Veenmeester geweest. Eind 19e eeuw was er een leerlooierij en in begin 1900 was de familie Rink de Vries (vader van bakker Arjen) er boer. In mijn jeugd was op De Pôle nog een armoedig bouwwerk, dat was verdeeld in vier woonsteden en ik herinner mij dat er lemen vloeren waren. Desalniettemin woonde de familie Klijnstra er met 11 mensen, Koelma met drie, Bergsma met vier en het ouder echtpaar Kluitenberg. Totaal kende het eilandje , waar een sloot aan de achterkant de verbinding was tussen de Tsjinwyk en de volgende wijk, dus 20 bewoners!

Berend Stuiver


                                                             . Links DePôle, rechts het Oosterend.


Naast de noeste arbeid werd er op de volkstuintjes ook veel bijgepraat en er waren ook altijd wel kinderen die zich er vermaakten en er waren vaak wel enkele Klijnstraatjes die zich erbij aansloten. Tussen het zandpaadje en de volkstuinen was een meidoornheg met in het midden het toegangshek. Het zandpad liep verder langs de volkstuintjes tot de Boppedraai en tussen de hoofdbrug bij bakker Arjen en deze draaibrug waren er vijf vlonders te passeren. Menige bakker en slager fietste moeiteloos met zijn transportfiets met korf voorop over deze vijf obstakels. Tot….!

Boppedraai
In de achterste volkstuin had melkboer Lammert Dijkstra niet alleen groente en aardappelen, maar ook een madenkwekerij. Hier lag veel gevangen vis te stinken en te rotten tot er maden uit kropen, die bij de sportvissers een welkome aftrek hadden . Een leuke bijverdienste voor melkboer Lammert. Zo nu en dan haalden wij, kinderen, ook wel eens voor een dubbeltje of kwartje maden bij Lammert, maar meestal visten wij met brood of wormen. Die wormen “toverden” we uit een grasveld door een in de grond gestoken mestvork heel snel heen en weer te bewegen. Die domme pieren dachten dan altijd dat er een mol naar hen op jacht was! Wij visten heel vaak met een groepje kinderen bijeen. Er werden zelfs schoolkampioenschappen vissen gehouden tussen de Kortezwaagster brug en “Bleekers brêge”. met hengels en snoeren uit de hengelsportwinkel van Meine Beenen als prijzen. Als de vissen die we vingen “de maat hadden” dan gingen ze in de emmers met water die we hadden meegenomen. Vrijwel nooit kregen ze weer de vrijheid, want buurman Jansen, een heel goede visser, had ons geleerd hoe een vis geslacht moest worden. Eerst de kop van de brasem, baars of voorn eraf, dan van kop tot staart opensnijden om de ingewanden eruit te halen. De kat stond al te wachten op zijn deel en vast ritueel was om even op de blaas van de vis te trappen voor het bekende knalletje. Dan de vis bij de staart pakken en de schubben eraf schrapen. Mem maakte ze nog even schoon onder de kraan en dan gingen ze in de braadpan. Wat werd er dan gesmuld door het hele gezin! Een welkome aanvulling op het vleesrantsoen van die week. Elke zaterdag namelijk moest ik bij slager Hoekstra of Looijenga een pond vlees, een half pond gehakt (voor de soepballetjes) en een ons gesneden rookvlees of lever (ik mocht kiezen) voor de boterham gehaald. Soms kwam daar vrijdags een half pond spek bij, want zaterdags werden er meestal bruine bonen gegeten. Dat betekende dan meteen dat er ’s maandags bruine bonensoep op het menu stond. Dat kwam Mem wat beter uit op de wekelijkse wasdag; ze hoefde dan niet uitgebreid te koken. Als er ’s zaterdags geen bruine bonen op het menu stonden, dan was het dikke rijst met margarine, suiker en kaneel. De overgebleven rijst werd op de wasdag als rijstepap (melk erbij en klaar!) genuttigd. Ook was er wel eens macaroni met suiker en margarine, of “dikke pofferd”, of snert! Op de zaterdagmiddag deed ik de boodschappen voor Mem, eerst bij de slager en als de boodschappen naar huis waren gebracht ging ik naar bakker Blaauw. Ik mocht dan altijd de lekkere koeken voor de avond uitzoeken! De zaterdagavond met doppinda’s en een lekkere koek, Willem Parel op de radio en met het hele gezin Mens-erger-je-niet spelen. Wat een gezelligheid zeg!
 

  
Even terug naar de tuin. In de borders langs onze groentetuin stonden, net als bij de meeste buren, prachtige bloemen. Zo nu en dan nam Pappa een bloemetje mee voor Mem, uit eigen tuin uiteraard! Achterin de groentetuin stond bij ons een bijenstal met kasten vol met bijen, want mijn vader was een verwoed imker. Daarover later meer en eerst terug naar de groente. Op zolder stonden tientallen weckflessen en als de groente rijp was voor verwerking, dan kwam het hele gezin in actie!
 

tuin1.jpgtuin2.jpgtuin3.jpg



De stok-, spercie- en tuinbonen moesten geoogst worden en niet alleen mijn ouders, maar ook mijn broer en ik moesten plukken én punten. Als de voorraad geplukte en gepunte bonen groot genoeg was, begon Mem ze alvast te wassen en te koken in een speciale weckketel. De weckflessen waren voorzien van weckringen, die de deksels met behulp van klemmen vast op de potten moesten houden. De weckringen werden ook veel gebruikt door vrouwen om hun kousen op te houden! Behalve de bonen gingen ook rode bietjes en worteltjes in de weckflessen en die flessen werden allen op de planken in de kelder geplaatst en dat was bedoeld als voorraad voor de winter. Er gingen ook boontjes en witte kool in Keulse potten en daar kwam een flinke hoeveelheid zout op. Ze werden toegedekt met een handdoek en een keisteen. De kool werd in de winter gegeten als zuurkool en de zoute boontjes smaakten overheerlijk. Alleen kreeg je er nogal dorst van.

anne1.jpg

Mijn vader was dus een verwoed imker. Dat betekende dat de bijen van het vroege voorjaar tot de late zomer naar de honingvelden op klaver, koolzaad en heide moesten. Groenteboer Keimpe ten Hage schoot dan vaak te hulp om de kasten naar de honingvelden te brengen met zijn vrachtauto. Dat was een nachtklus, want pas als de bijen binnen waren konden de kasten gesloten worden. Ik mocht vaak mee op de tocht naar het Fochteloërveen bij Ravenswoud. Spannend was dat, want op het laatste stuk langs de Derde Wijk zaten er diepe kuilen in de zandweg! Imkers in Gorredijk en Kortezwaag als Kussendrager, Homans, Sipkema en mijn vader sloegen ook vaak de handen ineen om een grote vrachtwagen van Vleeshouwer af te huren. Natuurlijk moesten die bijen op de honingvelden ook verzorgd worden en dat was meestal een weekendklus. Soms nam mijn vader een snipperdag. Al die bezoeken aan de bijenvolken gebeurde op de fiets en vaak ging ik mee. Zo herinner ik me de fietstochten vanuit Kortezwaag naar Raard bij Irnsum en naar Ravenswoud. Ik ging niet mee naar de koolzaadvelden, want die waren langs de Friese Waddenkust of in de Noord Oostpolder en de fietstochten daar naar toe waren voor mijn kleine benen waarschijnlijk te vermoeiend. Feest was het ook als de honing geslingerd moest worden en ik draaide dan, gelijk Michiel Adriaanszoon de Ruiter, aan het grote wiel. Het slingeren gebeurde ook regelmatig in één van de kassen van Kussendrager. Wellicht heb ik aan deze tijd de gewoonte over gehouden dat ik de dag nog steeds begin met een boterham met honing, zij het honing van een Drentse imker.  Toen wij in mei 1946 vanaf de “Derde Wijk” in Appelscha naar het “Easterein 136” aan de Opsterlansche Compagnonsvaart in Kortezwaag verhuisden waren de resultaten van de Tweede Wereldoorlog daar nog herkenbaar. Door het opblazen van de brug waren er bijvoorbeeld bij ons huis een flink aantal ramen gesneuveld en daarvan waren de grote ramen op de achterste slaapkamer boven nog voorzien van golfplaten toen wij daar onze intrede deden.

anne4.jpgEasterein 136 achterom met Geertje Stoelwinder, Jappie Simons, Anne Veenstra en Sytske de Vries


Gelukkig was huurbaas Johannes Roelinga bereid de golfplaten te laten vervangen door ruiten, zodat voor mijn broer Auke en mij op de slaapkamer het licht ging schijnen en eigenlijk ook een beetje voor de plaatselijke schilder Catrinus Koelma! Ik weet niet of mijn ouders daardoor meer huur moesten betalen. Het betalen van de huur kende ook een vast ritueel trouwens. Tweemaal per jaar werd op een zondagmorgen met het hele gezin de tocht naar de huurbaas vanaf Easterein naar Tsjoelebartje gemaakt om de huur voor een half jaar te betalen en de warme maaltijd met de familie Roelinga te nuttigen. Gelukkig waren er bij Roelinga twee kinderen (Rink en Joukje) van ongeveer dezelfde leeftijd als die van mijn broer en mij. Zo kort na de oorlog was het ook opvallend, of eigenlijk ook niet , dat er zo weinig mensen in het bezit waren van elektriciteit en een radio. Televisie bestond er nog niet eens! Wie wel een radio bezat, had een zogenaamde radio-centrale of draadomroep.
Jan de Cler
Jan de Cler

“Hilversum 1”en “Hilversum 2” kwamen via een draadje vanaf de draad aan de “telefoonpalen” langs de weg bij de huiskamers binnen. Waar het draadje de woonkamer binnen kwam zat ook de schakelaar voor Hilversum 1 of 2 en voor hard of zacht (volume). Twee keer per jaar werd de voetbalinterland wedstrijd Nederland – België gespeeld en dan gingen mijn broer en ik, gelijk een stel andere radioloze voetballiefhebbers, naar de ook aan het Easterein wonende Lammert en Annigje Dijkstra om naar het live verslag door Leo Pagano of Ad van Emmenes te luisteren. Gezellig en spannend voor de fel meelevende luisteraars! In de pauze werd een muzikale nabeschouwing gegeven door Jan de Cler en het refrein “Hup Holland Hup” zongen we allen luidkeels mee! Later op straat werd het refrein ook nog menigmaal herhaald en vaak ging je er mee naar bed, vooral als het Nederlands elftal met Abe Lenstra en Piet Kraak had gewonnen! De sociale contacten in het Kortezwaag van na de Tweede Wereldoorlog waren groot. Tijdens het school- en volksfeest in het dorp of tijdens de winkelweek in Gorredijk-Kortezwaag werden de koppen bij elkaar gestoken en werden de straten met vereende krachten versierd. Ook de wagen voor de optocht moest in orde worden gemaakt .Dat alles gebeurde uiteraard in de vrije tijd en die was toen nog schaars. Zaterdags werd er gewerkt tot half één in de middag en op werkdagen waren de werkende mannen ook niet voor 6 uur ’s middags beschikbaar. De te verrichten werkzaamheden gebeurden vrijwel altijd in de avonduren van de werkdagen. Het was dan één en al gezelligheid met aanpakkende ouders en spelende kinderen in de verschillende buurten.

weike.jpg
Als er niets te vieren viel dan was er toch op mooie zomeravonden altijd veel gezelligheid. In veel  vensterbanken werd uitgerust van de drukke werkdag en dat werd dan vaak verenigd met het bijpraten van het wereldnieuws door de onderlinge buren. Soms werden er zelfs voorstellingen gegeven. Zo herinner ik mij de acrobatische kunsten van één van de oudste buurtgenoten, de heer Klaas Landstra. Omdat hij al zo oud was werd hij ook altijd Landstra genoemd, net als (Keimpe) Blom en (Popke) de Vries en(Jan) Post. De jongere volwassenen als Lammert en Annigje, Wiebe en Betsje en Tinus en Griet werden meestal bij de voornaam genoemd. Wel. “ âlde” Landstra kon, zittend in de vensterbank , zijn voet in zijn nek leggen! Een jongere vensterbankartiest was het zoontje van Kees ( Marten) Boomsma, verhuurder van artikelen als wasmachines, wasdrogers, grammofoons en grammofoonplaten . Kleine Jan, thans cafetariahouder in Gorredijk, was een goed uithangbord voor zijn vader, want staande in de vensterbank zong hij vrijwel het complete repertoire van Johnny Jordaan. Hij oogstte daarmee veel bijval en sympathie!

 De Opsterlandse Compagnonsvaart nam voor de Kortezwaagsters een belangrijke plaats in. In 1630 werd in Gorredijk begonnen met het graven van dit kanaal. Het werd gegraven ten behoeve van de veenontginning en het vervoer van turf. Twee honderd jaar later werd het eindpunt, de Drentse Hoofdvaart bij Smilde bereikt.
Het Easterein
Vooral in de zomer had het kanaal veel aantrekkingskracht voor zowel jong als oud. Het water werd gebruikt voor het begieteren van de tuin, het boenen van stoep en straat (!), het wassen van de ramen en zelfs voor de maandagse grote was. Bij elke woning was namelijk een zogenaamd boenstap. Dat boenstap achter de woning werd gebruikt voor het boenen van potten en pannen en de boerinnen maakten er ook de melkbussen op schoon.
                        Bjinstap mei potrak Bjinstap mei potrak

Veel mensen, vooral boeren, hadden bij het boenstap ook nog een “potrak”, een rek waarop de potten en pannen en bussen konden drogen. Mijn moeder, en velen met haar, legden op de wasdag de smerige overalls van manlief ook op het boenstap en boenden daar met een borsteltje de grootste vuiligheid met groene zeep en water uit de Opsterlandse Compagnonsvaart af. Daarna ging ze naar het stap aan de Opsterlandse Compagnonsvaart en spoelde daar de overall uit. Dan ging de overall in de tobbe met zeep, waarin eerst alle ondergoed en kleren waren gewassen. Ook de poepluiers werden vaak eerst uitgespoeld in het kanaal. Van wegwerpluiers had nog nooit iemand gehoord! Natuurlijk werd het kanaal door de jeugd ook volop gebruikt. Enkele buurtgenoten hadden een roeibootje voor hun huis liggen en dankzij de grote solidariteit waren die bootjes eigenlijk van iedereen. Uiteraard moest er eerst wel even gevraagd worden of het bootje niet door de eigenaar gebruikt moest worden alvorens er een tochtje mee gemaakt werd. Meestal waren die tochtjes maar kort, want de zijwijken werden niet bevaren. Die werden bewaard voor de winter als ze massaal op de schaats werden ontdekt. Ook werd er tijdens het vissen veelvuldig gebruik gemaakt van de bootjes , want haakje en snoer aan de hengel hadden dan een verder bereik. Op de plek waar poepluiers werden uitgespoeld had je grote kans een baars aan de haak te slaan en die smaakten maar wat lekker! De vissen werden geslacht op ….het boenstap! Buurtgenoot Ybele Stamhuis vervoerde het veevoer naar de boeren aan de overkant van de vaart, zoals Siebe ten Cate en Mevrouw De Boer met een kleine praam, die hij voortbewoog met een boom, een lange duwstok. Als hij naar de overkant van de vaart ging, dan ging hij met de boom “bomen”. Hij zette de stok dan op de bodem van de vaart en ging al duwend naar de overkant, gelijk nu nog in Giethoorn met de punters gebeurt. Wij mochten wel eens met Stamhuis mee en vooral het “bomen” vonden we spectaculair. We mochten, als de boot leeg was zelfs wel eens oefenen. Ook een bijzonder vaartuig lag er bij Jan Wijnstra, namelijk een kano. Soms zag je zoon Douwe, later een bekend pianist en organist, daarin varen en als je geluk had mocht je wel eens mee peddelen. Jan Wijnstra was in het dorp beter bekend als Jan Thijsjes. Toen we met een grote groep Kortezwaagsters eens bij de ophaalbrug bij bakker Arjen naar een optocht stonden te kijken, vroeg een langs komende meneer of iemand ook wist waar Jan Wijnstra woonde. Van de mensen die vooraan stonden wist niemand het en daarom riep Lammert Moll, die nota bene dicht bij Wijnstra woonde, of iemand wist waar Jan Wijnstra woonde. Van achter uit de rij hoorde je een man met de pet een beetje hoog op zijn hoofd en met één been over het zadel van z’n transportfiets met korf en met het andere been op de grond : “Hawwe jim it oer my?” De reactie van Moll : “Och man ,ik ken jo oars net as Jan Thijsjes! “ Een enkele keer werd er voor de huizen gezwommen, maar voor het zwemmen waren eigenlijk twee ideale plekken. Als je voor de huizen zwom kon je beter je klompen maar aanhouden, want anders was de kans groot om in een stuk glas, een zoetwatermossel of ander ongerief te trappen. Ook zaten er regelmatig eendenkroos en bloedzuigers op je lichaam.bloedzuiger.jpg

Toen water- en luchtvervuiling nog niet in het woordenboek voor kwamen staken op prachtige zomerzondagmiddagen heel wat Kortezwaagster gezinnen de Boppedraai over. Vervolgens namen ze het zandpaadje tussen Bouma en De Boer om via het Liphúster Paad dwars door de weilanden richting de Langewijk te gaan. Daar werd verkoeling gezocht op de zandige plek in de Opsterlandse Compagnonsvaart met een inham in de oever. Als de thermometer in de klas een temperatuur hoger dan 80 graden Fahrenheit aanwees, dan kregen we warmtevrij, net zoiets als ijsvrij in de winter. We gingen dan ook vaak met een groep kinderen, soms met een paar moeders erbij naar deze zwemplek .
                                                                                                                                                                                                         veenhuisje.jpg      Op het verste punt van de Lange Wijk maakt de vaart een haakse bocht naar rechts naar Kortezwaag. Hier is ook een aftakking gegraven langs het Tsjoele Bartje naar de Schoterlandse Compagnonsvaart. Een klein veenhuisje stond als het ware op deze driehoekspunt en is ooit als grap “Loevestein” genoemd. Dit in navolging van het slot Loevestein waar eeuwen geleden staatsman Hugo de Groot gevangen werd gehouden. Het slot was gelegen tussen twee rivieren. Misschien kennen velen nog het verhaal van de ontsnapping in een boekenkist door Hugo de Groot . Meester Wapstra vertelde ons ooit dat verhaal. Ik herinner me nog dat Jacob en Aaltje Hofstra met drie kinderen in het veenhuisje woonden en dat het “húske” wel 10 meter van hun huisje verwijderd was. Zoiets ontdekte je tijdens de winterse schaatstochten naar de Lange Wijk. In heel vroeger jaren schijnt Loevestein een schipperscafé geweest te zijn. Fijn dat de naam “Loevestein” nog steeds voortleeft in Gorredijk! Een andere zwemplek was door over de Boppedraai rechtsaf te gaan richting “Loevestein”. Even voorbij de familie Moll was “Jelle Kantsje”, een zwemplek met aan beide zijden uitgestrekte weilanden. Toch was de “Langewyk” de favoriete zwemplek. Wie echt zwemles wou hebben en een zwemdiploma wou halen kon terecht in het zwembad met houten schuttingen rondom aan de Badweg in Gorredijk. Vanaf de kruising Hoofdstraat/Nieuweweg liep er vanaf de spiegel (uitkijkhulp voor auto’s) een zandpad naar het zwembad. De Gorredijkster ijsbaan van “De Eendracht” lag daar ook dichtbij.

                              
Kort na de Tweede Wereldoorlog stonden er in Kortezwaag tal van bijzondere of leuke woningen. In “ ’t Leantsje” stond aan de rechterkant, beginnend na de tuin van kruidenier Geert Teijema een blok geel bepleisterde woninkjes. Deze woninkjes waren gebouwd voor mensen die weinig huur konden bouwen.
leantsje.jpg
Links op deze foto zie je nog een stukje van de schuur, die er nu nog staat. Even voorbij de woninkjes was rechts een reed, die naar “Veenstra’s lântsje” of “Houtsjekamp” leidde. Hier kon je ook komen via het zandpaadje naar “De Pôle”. Het stukje land, waarin het paard liep van brandstoffenhandelaren Anne en Geert Veenstra, was een trekpleister voor de voetballende jongens uit Kortezwaag. Tijdens het voetballen moest je je ogen goed de kost geven, want soms verscheen uit het niets “ouwe” Veenstra (Anne) en die moest de bal niet te pakken krijgen. Die bal was gemeenschappelijk bezit, gekocht van het geld dat tijdens een huis-aan-huiscollecte bijeen was vergaard. Het stukje land heeft trouwens heel lang nog als korfbalveld van O.D.K. gediend. Naast de reed naar het weiland was de Tsjinwijk en aan het einde van ’t Leantsje was een wit houten bruggetje dat de toegang verschafte naar de boerderij van Wiebe en Aaltje Hofma en zoon Henkie.
boerderij.jpg
Toen de woning in 1807 werd gebouwd hoorde dat stuk grond bij Terwispel, de Tsjinwijk was de grens. Emeritus predikant Johannes Frederikus Heidegger Houwing was aan het einde van de 19e eeuw een bekende bewoner. Na Hofma woonden er de families Jan Hagen en Anne Jongsma en de boerderij werd ruim 40 jaar geleden afgebroken ten behoeve van een nieuwe woonwijk. Als je voor het bruggetje linksaf slaat kom je voor een hek. We klommen wel eens over dat hek en liepen door het weiland over de voormalige lijnbaan en achter de Vinkebuurt langs naar de Bamboesteeg. Hier stonden een paar woningen en de kinderwagenfabriek van Jonkers. De Bamboesteeg kwam uit op de Hoofdstraat en als je langs de winkels van schoenmaker Van Wallinga en kledingzaak Pal en Rudolphus liep, dan was je bij Schansburg. De achterzaal van Schansburg was voor kinderen onomstotelijk verbonden met Sinterklaas. Op de zaterdag voor 5 december kwamen Sint en Piet met de boot van Vleeshouwer of de Tjerk Hiddes van Steffen van der Werf aan bij de hoofdbrug , om vervolgens op de schimmel een rondgang te maken door Gorredijk en Kortezwaag. Na de rondgang volgde het feest in de grote zaal van Schansburg. De voorzitter van de WHI, Roel Rudolphy opende het feest en met behulp van Gerrit van der Walle en zijn piano werden sinterklaasliedjes gezongen en gekeken naar een buikspreker met sprekende pop of een goochelaar. We gingen daarna voldaan naar huis met een taaiman en een speculaaspop! En thuis mocht je natuurlijk je klomp of schoen bij de schoorsteen zetten!
schans.jpg
Terug voor de bijzondere of leuke woningen in Kortezwaag gaan we naar ’t Weike. Aan weerszijden van de straat staan een aantal fraaie Jugendstil woningen. Deze woningen zijn in 1910 opgetrokken van zandsteen, dat een grote duurzaamheid heeft. Daarom staan ze er nu wellicht nog steeds. Karak-terestiek zijn de om en om gemetselde rode en witte stenen. In ’t Weike waren kort na de Tweede Wereldoorlog vijf winkels, twee aannemers, een petroleumboer, een wagenmaker en de Boerenleenbank! ‘t Leek de Kalverstraat wel! De volgende bijzondere gebouwen zijn te vinden aan de Lijkweg, het huidige De Leien. Uiteraard is de kerk door de eeuwen heen heel belangrijk voor de “Koartsweachsters. De huidige kerk dateert van 1797, daarvoor was er de katholieke Mariakerk. Ook de consistoriekamer en de “Posterije” zijn opvallende bouwwerken. Voor de pastorie was een groot grasveld, dat in het voorjaar vol stond met krokussen en sneeuwklokjes. Ook in de vijver tegen de weg bloeiden mooie waterplanten. Deze pastorie wordt in 1854 gebouwd mede dankzij een schenking van 800 gulden door “vrouw douairiére” Van Lijnden en later zijn er nog enkele verbouwingen. In 1942 woonde ds. Springer er en in onze kinderjaren woonden er twee gezinnen in en daarvan herinner ik mij familie Mesman en Andries en Baukje Seinstra met hun kinderen Anne, Jan en Tytsje. Het huis tegen de consistoriekamer werd bewoond door de familie Groensma. De heer Groensma was niet alleen koster van de kerk, maar hij deed ook werkzaamheden voor de begrafenisvereniging “De Laatste Eer”. Als er iemand in Kortezwaag overleden was, dan trok Groensma zijn zwarte slibjas en streepjesbroek aan en bezorgde huis aan huis rouwkaartjes in de grootte van een briefkaart. Volgens mij groef hij ook de graven en leidde hij de begrafenissen. Tussen de Lijkweg en de Dwarsvaart liepen enkele zandpaden en we volgen nu zo’n zandpad naar de Dwarsvaart. Kort na de Eerste Wereldoorlog was er een grote woningnood en vaak woonden meerdere gezinnen bij elkaar in. De gemeente Opsterland kocht daarom in Gelderland enkele barakken die eerst gediend hadden voor de internering van Belgische vluchtelingen. Van die barakken werden aan de Dwarsvaart hulpwoningen gemaakt en hoewel in 1923 de noodwoningen werden verbeterd gebruikte men in de volksmond consequent het woord “barakken”.
barak.jpg
Ik herinner me nog dat de families De Vries en Hofstra daar met vrij grote gezinnen woonden. Als je even verder over de ophaalbrug in de Dwarsvaart gaat dan zie je direct links de in 1916 gebouwde “Sonneborge” of zoals wij altijd zeiden : de Zonneburcht. Familie van Siebren Wallis de Vries hebben jaren in deze bijzondere woning gewoond.

nijewei.jpg
Volgens mij hoorde het lange blok woningen aan de Nijewei bij Gorredijk, maar omdat de kinderen uit dit blok op de Kortezwaagster school zaten, noem ik het even bij de bijzondere woningen van Kortezwaag. Als er bijvoorbeeld aan Pieter en Jouke de Vries gevraagd werd waar ze woonden, dan kreeg je gegarandeerd als antwoord “In de diesel”, want zo werd dit blok huizen genoemd. Tegenover de diesel aan de overkant van het weiland en de Opsterlandse Compagnonsvaart ligt de Vinkebuurt. De vader van de beroemde socialist en de in de Tweede Wereldoorlog geëxecuteerde Jan Eisenga had een timmermanszaak in Kortezwaag, waar later de melkboeren Tinus Dijkstra en Bron woonden. Eisenga bouwde in het begin van de 20e eeuw twintig goedkope woningen naast zijn werkplaats om de bewoners van de spitketen een beter onderdak te bieden. Bij de huizen kwam een vergaderlokaal , want volksopvoeding stond hoog in het vaandel bij de socialisten van die tijd. Vanwaar de naam Vinkebuurt? Er wordt wel beweerd dat de halfsteense tussenmuren de oorzaak van de naam is!

Vinkebuurt
  Vinkebuurt

 Het Vertier

 
Het vertier onder de bevolking na de Tweede Wereldoorlog begon flinke vormen aan te nemen. Zo rond 1950 maakte de draadomroep langzamerhand plaats voor de radio met de lampjes en het schermpje met de namen van zo’n 50 radiostations. Bij Philips waren ze al aan het experimenteren met televisie, maar in het Kortezwaag van die tijd kende niemand dat woord en was men al blij men zo’n modern radiotoestel.
RADIO.jpg
Dit toestel bracht veel vertier in menig huiskamer en ook bij ons werd gezamenlijk geluisterd naar de “Bonte Dinsdagavondtrein” en het amusementprogramma op zaterdagavond met “Dorus” en “Willem Parel” als favoriete trekpleisters. Ook “Mastklimmen”, “De Bietenbouwers” en de halve uurtjes vande orkesten met zang van Max van Praag en Eddy Christiani trokken veel aandacht. De zaterdagavond bij ons betekende een lekkere koek bij de koffie en doppinda’s bij het luisteren naar de radio. Geen T.V., geen computer, mobieltjes of dergelijke moderne snufjes en toch herinner ik me niet de dag dat ik me verveelde. En ik weet zeker dat de meeste van mijn leeftijdgenoten hetzelfde zullen zeggen, want er was vertier genoeg! Vertier was er ook volop op school, al speelde zich dat meestal af op het schoolplein voor schooltijd of in het speelkwartier. Tikkertje, stabal , pand verbeuren, touwtje springen, kaatsenballen, overlopertje , schipper mag ik overvaren, slinger aan de staart en dringertje waren veel voorkomende spelletjes op het plein.

Een gymlokaal hadden we niet, in de zomermaanden mocht een klein stukje van de ijsbaan (!) worden gebruikt. Hierop had aannemer De Vries twee doeltjes gemaakt en er werd dan ook volop gevoetbald. Op de gymuren speelden we er o.l.v. van meester kastie, slagbal, bokbal, korfbal en we oefenden voor de schoolsportdag. In de klas zorgde meester ook zo nu en dan voor opvallend vertier. Hij draaide films af van de N.O.F., een onderwijsinstelling die films uitgaf over b.v. de aardappelmeelfabriek, strokartonfabriek, suikerfabriek en dergelijke. Een enkele maal per jaar gingen we met meester naar bioscoop Flora boven hotel Wiegersma in Gorredijk. Daar vertoonden dan biologen als Piet Bos (museum Holterberg) en Anton Portielje (Artis Amsterdam) fraaie natuurfilms of we waren getuige van een bezoek van de Koninklijke familie aan West-Indië. Na schooltijd waren we vrijwel altijd buiten te vinden en hadden een groete voorraad spelletjes ter beschikking : tikkertje, verstoppertje, blikspuit, stabal, steppen hoepelen,voetballen, ongeluks tikkertje, platzaaien met platte steentjes over het water, knikkeren in verschillende variaties, hut bouwen,paard en jockey en in de winter schaatsen en sneeuwhutten bouwen. Was het slecht weer dan was er Mens erger je niet, Ganzenbord”, Molenspel, Domino en Dammen.
MENSERGER.jpg
In de hoogste klas gingen we met een paar jongens vrijdags na schooltijd naar de handenarbeidclub in het buurthuis in Jubbega. Ik herinner me van die uurtjes alleen nog het figuurzagen en het voorlezen van de leiders Klaas Zwanenburg en Jan Pomper ( bekend kortebaan schaatser).